Karin interviewt … Carla

Stip op de kim
Tentfragmenten en versleten flarden
© Carla Scheepe-Belksma

Dit is een serie over de producten van kunstenaars die bij Grafisch Atelier Minnigh werken. In de derde aflevering staat drukwerk van Carla Scheepe-Belksma centraal. 

Karin Voogd interviewt:” Ik ben betrekkelijk nieuw bij GAM, sinds augustus 2020 ben ik sleutelhouder; met deze interviews over grafiek van anderen die op de persen van GAM werken leer ik mijn collega’s beter kennen. Ik hoop op deze manier bovendien beter te begrijpen wat er vandaag de dag gaande is in de grafiek. Het is voor mij namelijk heel lang geleden dat ik me er mee bezig hield. “

Installatie Tentfragmenten
© Carla Scheepe-Belksma

Als het klaar is dan begint het pas | Het grafisch werk van Carla Scheepe-Belksma

Ik kan heel veel titels bedenken bij dit interview met Carla. Landmeten op zee bijvoorbeeld. Of: Gulp tussen twee papiertjesHakken in het zand en stip op de kim. Of misschien: Prutswerk op een hoger planMachinekamer-keuzestress,

De struisvogel paradox. Carla heeft veel ‘teksten’ en het gaat snel. “Wil je het opnemen?”, vraagt ze. “Ik denk dat het niet nodig is”, zeg ik. Nu ik de flarden van ons gesprek in mijn notitieblokje doorkijk, constateer ik dat ik haar niet bij kon houden. Carla denkt en praat en maakt tegelijkertijd.

We spreken elkaar naar aanleiding van het project: Tentfragmenten en versleten flarden. Een project waarvoor zij een financiële bijdrage kreeg van Stichting Droom en Daad. Carla kreeg in haar tienertijd een mooie dubbeldaks tent. De tent is van haar moeder geweest.  Oranje van binnen en verschoten oranje van buiten. De tent symboliseert veel meer dan alleen haar jeugd. In een tent zit je beschut maar je bent toch ook heel erg buiten. Carla houdt meest van al van water, maar, als mens heb je ‘vaste’ grond onder de voeten nodig en een dak boven je hoofd. Van een boot bijvoorbeeld of een tent. 

Liefde voor varen begon al op de Zegerplas in Alphen aan de Rijn. Haar moeder was een van de eerste windsurfers van Nederland. Carla ging naar de zeevaartschool, werd maritiem officier en voer een tijd op zee. In haar beelden en woorden komen verwijzingen naar water even vaak voor als verwijzingen naar land. Als ze zegt dat ze haar hakken in het zand zet, zie ik voor me hoe zij ze als een waterskiër eigenlijk in het water zet. Ik begrijp de hink-stap-sprongen van Carla tussen taal en beeld en ik hinkel lekker mee.  

Gulp tussen twee papiertjes

Carla was de eerste persoon die ik ontmoette in Atelier Minnigh in 2020. Die keer leerde ze mij letterzetten. Op het atelier heeft Carla verreweg de grootste range van technieken van ons allemaal. Als een van de weinigen gebruikt ze de letterkasten en de degelpers. Niet onbelangrijk in haar werk, want veel van haar druksels bevatten stukjes poëzie. Ongebleekte zinnen zitten meestal in de zomen, is daar een voorbeeld van. De letters heeft ze gedrukt op papier gemaakt van oud textiel dat Carla zelf gedragen heeft, of haar man, of haar dochter De tent is ook in flarden gerukt en gepulpt en tot papier verwerkt. Het verklaart de hoeveelheid oranje papier. Op een andere prent zie je een stuk stof van een broek, van een gulp. Dit is een contactdruk: de broek is ingeïnkt en afgedrukt. 

Ritsen vind je overal, in broeken en in tenten. Het verklaart de rits als motief. De rits van de tent is op verschillende manieren gebruikt. Afgedrukt met inkt en ingedrukt in het papier als blinddruk, nagetekend en gefotokopieerd. 

Broekdruk
© Carla Scheepe-Belksma

In het werk Stip op de Kim verdeelt de rits een akker, of is het een zee, in twee delen. De delen gaan uit elkaar of komen juist bij elkaar op de einder. Het verdwijnpunt wordt gevormd door de schuiver van een rits en is, tegen de wetten van het perspectief in, juist veel groter dan de voorgrond.

Hakken in het zand en stip op de kim

Het idee dat je een stip op de kim zou moeten hebben, een onwrikbaar doel, dat vindt Carla een onhandig begrip. “Als je op zee zit, kun je dat punt aanwijzen en je kunt uitrekenen wat de geografische positie is. Je kunt het bereiken. Maar, de horizon blijft altijd op dezelfde onbereikbare afstand, dus blijft het ook een punt wat je niet kan bereiken, een stip op de horizon.” Liever heeft Carla een baken, of een aantal bakens, want op bakens kun je navigeren. Een baken is vaak een ton, maar het kan ook een tak in het water zijn, bij een fuik of een wrak, of bij een wak. Water is een verbinder, het past zich aan. Carla houdt van de weidsheid (en ja, Carla het is met twee keer korte ei want het verwijst naar weide en niet naar wijd! Het wordt gebruikt om aan te geven dat iets ruim, groot of indrukwekkend is), het gevoel van oneindigheid van het water. 

De vraag: ’Waar sta ik nu?’, is een moeilijke voor Carla: ”Het zijn allemaal fragmenten.” Als ik de verzameling fragmenten die ze voor mij op de tafel heeft uitgestald bekijk, vraag ik me af of het wel aan de maker moet zijn om ook nog eens te verwoorden waar het over gaat of wat het doel is van al die verschillende dingen. Die taak is eerder voor een beschouwer.

Laat ik Carla eens wat werk uit handen nemen.

Landmeten op zee

(Carla wilde eigenlijk hydrografie studeren, oftewel landmeten op zee).

1. Divergeren. Het ene werk leidt naar het volgende, inderdaad zoals je na het ene baken koers zet naar het volgende. Er is niet een eenduidige route. Fragmenten kunnen leiden tot meerdere vervolgstappen, als een zwerm vogels of vliegtuigen die zich opsplitst en dan weer bij elkaar komt.

2. Water is een belangrijk symbool. De druppel. Of het bootje, van papier, of een echt stuk hout van een kano dat wordt afgedrukt. En ook, wat water kan doen in het werkproces. Water als instrument dus:, zoals bij de prints die gemaakt zijn door een ontdekking die Carla maakte toen ze een glazen plaat schoonspoelde: “De waterstraal maakte een pad schoon waaruit vele kleuren tevoorschijn kwamen.”

3. Een derde element is: techniek, wiskunde, ruimtelijke inzicht, kaarten. “Ik wilde eigenlijk landmeter worden op zee.” (Ze wacht geduldig op mij tot ik het onmogelijke beeld snap.) Er zijn zeekaarten gebruikt om op te drukken. Er is een tangram-spel. Er zijn inzichten over de horizon die nooit dichtbij komt, omkeringen en spiegelingen van het drukwerk (het spiegelschrift dat je machtig moet zijn om te kunnen letterzetten).

4. Het associatieve. Dingen die op verschillende manieren kunnen worden gebruikt, metaforen. Mislukkingen die uiteindelijk vondsten worden, toevallige vondsten, monoprints als koffiedik waar je iets in kunt zien. ADHD hebben en Asperger. De struisvogel-paradox: Kop in het zand steken en tegelijkertijd nieuwsgierig zijn. Keuzestress hebben én zoeken naar het conflict. 

5. Doelen stellen, maar daarin vastlopen. Onzekerheden, twijfel, niets echt kunnen. “Soms moet je ook de binnenkant tonen, de kwetsbaarheid achter het masker.” “Een prutser zijn en daar trots op zijn.” Carla kent de moeizame route van een neuro-atypisch persoon in een neuro-typische wereld.

Prutswerk op een hoger plan

De eerste keer dat ik Carla’s werk zag vond ik het, toegegeven, misschien te simpel. Nu raak ik meer en meer gefascineerd. De bakens van het maakproces zijn belangrijk voor mij. Ik moet iets van het verhaal weten. De magie van het werk dring tot  me door. Ik zou Stip op de horizon willen bezitten. De oranje met de nachtblauwe inkt spreekt me het meest aan. Maar als Carla gaat vertellen over de andere variaties die er zijn – die met het rood op het vale witte papiertje bijvoorbeeld – dan komen deze ook tot leven.  

“Ik vond het maar prutswerk wat ik maakte. Al op de lagere school werd vastgesteld dat ik niet kon tekenen.” Ze ging met ouders wel eens naar een museum en haar vader verzamelde kunstwerken met blote vrouwen. Een Anton Heyboer in de gang, ze liep er jaren langs zonder het te bekijken. Toch was het in een museum waar Carla voor het eerst ‘prutswerk’ tentoongesteld zag en dacht: “Hé, het mag dus wel!.” Ze vond er de speelruimte om haar prutswerk op een hoger plan te tillen.

Machinekamer-keuzestress 
Haar vader zegt bij de presentatie van Tentfragmenten in Growing Space in De Wielewaal “Ik snap het niet”.. Wat raar is het toch, vinden wij, dat er zo’n verschil is in manieren om je hersenen te gebruiken. Die van haar vader, de neuro-typische manier (al denkt Carla dat ook haar vader niet helemaal neuro-typisch is), heet rationeel en is vooral rechtlijnig en doelgericht. Die stijl mist heel veel bakens, denken Carla en ik. Maar wij raken dan wel weer verstrikt in al die mogelijkheden die onderweg van het denken van a naar b geboden worden.

De volgorde van de werken op de tafel gaat tegen de klok in de tafel rond en bij ‘half vijf’ komen we aan bij het gedeelte: ‘Als Het Af Is Begint Het Pas’. Wat bedoelt Carla?: “Je komt op de werkplaats met een bepaald doel (dus toch!); met op zijn minst een plan om een aantal ideeën uit te werken.“ Bijvoorbeeld riso-prints te maken, een soort fotokopieën, je hebt een scheerlijn meegenomen, papiertjes en inkt. “Je weet niet precies hoe het gaat worden, maar dat heb je voorbereid. En je maakt het af.”

Ok, missie volbracht.

“Maar dan heb ik nog een heleboel inkt en strookjes papier over. Met deze restjes kun je monoprints maken. Soms komen er dingen tevoorschijn die heel tof zijn. Dat zijn kadootjes aan mijzelf“. Van de strookjes maakt Carla weer andere dingen. Soms autonoom werk, soms ontdekt ze een boot of een beest, soms kan ze de print decoratief gebruiken. Zo ontstond het tangram spel voor haar cliënten, een groep mensen met o.a. klassiek autisme met wie ze creatieve of bezigheidsdingen doet. “Tangram, moeilijk”,  zeg ik, “ik bewonder mensen die dat kunnen”. Dat is voor Carla geen criterium: ”Je kunt ook de voorbeelden met de lijntjes afkijken,” vindt Carla. Het gaat erom of je je er senang bij voelt. 

“Hé!” Carla kijkt op haar horloge: “Ik ben jarig! Het is nu precies 14:07!”

 “Gefeliciteerd,” zeg ik automatisch en naderhand denk ik: Huh?

One thought on “Karin interviewt … Carla

Comments are closed.